Geschiedenis

Door de geschiedenis heen heeft de valkerij duizenden jaren lang een stempel gedrukt op verschillende culturen. Het is zeer waarschijnlijk dat ze is ontstaan in Centraal-Azië, de thuisbasis van de Turkse bevolking en dat ze is verspreid in ‘t westen naar Arabië en Europa en in het oosten naar China en Japan.

De mens moet naar de hemel omhoog hebben gekeken en zich verwonderd hebben over de grootsheid, het gemak en de vaardigheid waarop roofvogels hun prooi vangen en hoe ze deze vaardigheid konden benutten om vlees op de tafel te krijgen.

Een getrainde Havik of Valk zal een zeer belangrijke en waardevolle bezit zijn geweest. In Turkije is Valkerij een oude gebruik, dat is uitgegroeid tot een rijke culturele traditie, die in sommige regio's van het land vandaag de dag nog steeds bestaat, met veel liederen, gedichten en trainingsmethoden die door de eeuwen heen mondeling zijn doorgegeven van generatie op generatie.

De Hittieten bewoonden Anatolië, wat nu het hedendaagse Turkije is, waar verschillende beeldhouwwerken in reliëf uit de 13e eeuw voor Christus valkerijtaferelen laten zien die in rots uitgehouwen zijn. De zeer oude overblijfselen van een Hettitische stad op Alacahöyük die al in 4000 v.Chr.  waren bewoond, werden  in 1839 ontdek. Opgravingen onthulden de “Sfinxen Poort”  die twee sfinxen laten zien met duidelijke Egyptische invloeden. Deze dateren uit 1600-1200 voor Christus, de periode van het Grote Hettitische Rijk, waar het nabijgelegen Hattusha (Boğazkale) de hoofdstad  was. De stad had ook een andere poort, waarvan alleen de fundamenten zijn gevonden. Details van de reliëfs aan de binnenkant van de poort tonen een dubbelkoppige arend, een symbool dat zeer oud is en ook aanwezig is op de Assyrische nederzetting op Kanesch (Kültepe). De dieren in hun klauwen zijn zeer waarschijnlijk hazen.

Ontdekkingen op het Karatepe complex  dateren uit de 16e tot 14e eeuw voor Christus. Karatepe betekent '' zwarte heuvel '' in  het Turks en werd van 1947 tot 1957 door een team onder leiding van Helmuth Theodor Bossert, na te zijn ontdekt in 1946, opgegraven. De opgravingen bleken de ruïnes te zijn van de ommuurde stad van koning Azatiwataš. Twee opgegraven stadspoorten hebben veel reliëfs die betrekking hebben op de lagere muren van het poortencomplex met symboliek van laat-Hettitische, Aramese, Assyrische en  Fenicische en Egyptische invloeden. Er is een beeld van een god die een stier berijdt, met wat lijkt op een roofvogel in de ene hand en een haas in de andere.

Opgravingen bij Gordion, de oude hoofdstad van de Frygiërs tonen ook het bewijs voor de relatie van de mens met roofvogels. Deze symbolische en feitelijke relatie met roofvogels breidde zich uit in de Seljukperiode (circa 1058-1246 AD) van Turkije en daarna. In 1058 wordt met de kroning van Tugrul (wat valk betekent)  als 'Koning van het Oosten en het Westen ", in Mosul de dubbelkoppige adelaar de standaard van de Seltsjoekse Turkenen. Deze werd ook daarna veel gebruikt. De Sultans of Rum, Ala ad-Din Kayqubad I (1220-1237 na Chr) en zijn zoon Kaykhusraw II (1237-1246 na Chr) maakten ook gebruik van de dubbelkoppige adelaar in hun vaandels. Het symbool  is ook te vinden op andere thema's, zoals weefsels, muurschilderingen,  gekerfde stenen en de lessenaars voor de Koran.

De Turkmenen, die in de 13e eeuw in Anatolië regeerden, erfden het symbool van de Seltsjoekse Turken. Als gevolg van de Turkse invloed werden de  Islamitische munten uit de regeerperiode van kalief Nasreddin Mahmoud bin Mohammad al in 1200 na Chr. afgebeeld met een dubbelkoppige adelaar. Zelfs vandaag de dag heeft de Turkse politie een dubbelkoppige adelaar op haar insignes, maar ook  de Atatürk Universiteit in Erzurum, de  gemeente Diyarbakir in het zuidoosten van Turkije en de club badges van Erzurumspor en Konyaspor, twee Turkse voetbalclubs

De gouden eeuw van de Valkerij in Turkije was tijdens het Ottomaanse Rijk, toen ze werd beoefend door de elite van de heersende klasse. Valkerij was verantwoordelijk voor losgeld, steekpenningen en de dood van de beoogde erfgenamen van de troon.

 Suleyman Pasha (circa 1316-1357 AD) was de oudste zoon van de sultan Orhan I, de tweede bey van het Ottomaanse Rijk. Terwijl buiten op zijn paard de valkerij aan het beoefenen was, viel hij per ongeluk. Dat veroorzaakte zijn dood. Suleyman werd als de troonopvolger beschouwd en hij werd begraven in Bolayır, in een Turbe of tombe gebouwd in opdracht Orhan Gazi.  Deze liefde voor de valk of havik zette zich onder de Ottomaanse Turken tijdens  hun veroveringen voort. Na het veroveren van het westelijke deel van Georgië in 1578, eisten de Turken een losgeld van 12 getrainde valken en 12 getrainde sperwers.

 Tijdens de slag van Nicopolis in Bulgarije (1396 na Chr.) werd de zoon van Filips de Stoute, hertog van Normandië,  gevangen genomen door de strijdkrachten van de Ottomaanse sultan Beyazid I (circa 1389-1402 na Chr). Philips aanbod van 200.000 gouden dukaten als losgeld voor zijn zoon samen met een klein aantal andere Franse edelen werd geweigerd, de sultan wilde in plaats daarvan en kreeg wat als nog kostbaarder werd gezien, 12 witte geervalken. Om de grootte van het losgeld te kunnen inschatten; 200.000 gouden dukaten zijn gelijkwaardig aan 22.140 troy ounces, dat is 698 kg. De zoon van Filips was getuige van de passie van Sultan Beyazit  voor de Valkerij  voordat hij werd vrijgelaten, zoals beschreven in het boek "Geschiedenis van de Ottomaanse Turken” van Sir Edward Shepherd Creasy. Hij beschrijft het ongenoegen van de  Sultan tegenover zijn gevangenen in Bursa in 1397, waar Froissart een verband legt tussen de scène in zijn geschriften "De sultan had in die tijd zevenduizend valkeniers, en evenveel jagers: je kunt hieruit wel de grootsheid van de gevestigde orden vermoeden . Op een dag, in aanwezigheid van de graaf van Nevers (de hertog van de gevangen zoon van Normandië), vloog hij een valk op bepaalde arenden (?), De vlucht kon hem niet bekoren, en hij was zo boos, dat hij voor deze fout op het punt stond om tweeduizend van zijn valkeniers te onthoofden, hij schold  ze uit om hun gebrek aan voortvarendheid bij de verzorging van zijn valken, toen ze, waar hij zo dol op was , zich zo slecht gedroeg '.

Laat in de regeerperiode van Süleyman de Magnifieke (regeerde 1520-1566 na Chr.) had de Topkapi Sarayı  ( het paleis in Istanbul)  personeelsleden, die behoorden tot de Interne Dienst (Enderun) en in het binnenste gedeelte van het paleis woonden. Onder auspiciën van de dar üs-saade ağası (de Ağa van het Rijk van Gelukzaligheid stond net onder de Grand Vizier ), werd de Interne Dienst verdeeld in zes departementen in aflopende volgorde van rang. Het departement van de valkerij (Doğancı Odasi) stond op de 5e plaats. De doofstomme (dilsiz), die bewust doof stom werd gemaakt zodat zij dus niet elkaars geheimen konden  horen of  vertellen, was een van de meest vertrouwde dienaren van de sultan en maakte vaak deel uit van de valkenhandelaren.

De passie,  waarmee het Ottomaanse hof  van valkeniers en valkerij hield,  is opgetekend door de ooggetuige verklaringen van zowel John Sanderson (1594) als Thomas Dallam (1599). John Sanderson's beschrijving van 300 'Valkeniers, dwergen en gebochelden” worden in de beschrijvingen van Thomas Dallam ondersteund door een orgelbouwer. Hij bracht in opdracht van Koningin Elizabeth I het geschenk , een orgel dat door hem en zijn team ontworpen was,  aan de sultan, Mehmet III (regeerde  van 1595 tot 1603 na Chr.). De opmerkingen van Thomas Dallam zijn bedoeld om de scène aan het koninklijke hof te beschrijven:

De derde honderd waren  “stomme” mannen, die noch konden spreken noch konden horen. Ze  droegen rijke gouden en lederen gewaden; ... Sommigen hadden valken op de vuist. De vierde honderd waren  allemaal dwergen, sterke mannen, maar  van zeer klein  formaat.  Elke dwerg droeg een  kromzwaard aan zijn zijde en ze waren ook gekleed ineen  toga gemaakt van gouden stoffen.

“Ik heb me het meest van allen over die doofstomme mensen verwonderd, want zij lieten mij door hun signalen zien dat ze alles begrepen  door zijn bewegingen.”

Dallam merkte dat de Sultan's dienaren, ongeachtze  binnen of buiten de dienst van het koninklijk hof werkten, elk een ambacht leerden ', aldus zijn neiging en aanleg' zoals Bon (1608) het omschrijft, 'om een Terbent te maken, om te scheren,  kleding fraai op te vouwen,  landspanielen te fokken, valken te houden en zo verder.

Zelfs de eerste niet gemotoriseerde vlucht,  waarvan melding is gemaakt,  had relaties met de valkerij en haalde inspiratie uit roofvogels! De eerste vlucht in Turkije werd door de vlieger en wetenschapper Hezârfen Ahmet Çelebi in het jaar 1630 gemaakt tijdens het bewind van de Ottomaanse Sultan Murat IV (regeerde van 1623-1640 v.Chr.). Naar verluidt vloog hij met zelfgemaakte vleugels over de Bosporus vanaf de bovenkant van de Galata toren en landde in Doğancılar Square (valkeniers Plein) boven Üsküdar, een vlucht van 3200 meter.

De 17e-eeuwse geschriften van Evliya Celebi verhalen over Hezarfen Ahmed Çelebi, (circa 1630-1632 AD):.

"Eerst oefende hij door acht of negen keer over de kansel van Okmeydanı met adelaar vleugels te vliegen, gebruik makend  van de kracht van de wind. Toen Sultan Murad Khan (Murad IV) kwam kijken naar het Sinan Pasha herenhuis aan Sarayburnu, vloog hij van de top van de Galata Toren en landde op het  Doğancılar plein in Üsküdar, met de hulp van de  zuidwesten wind. Daarna gaf Murad Khan hem een zak met gouden munten, en zei: ' Dit is een enge man.  Hij is in staat om alles te doen wat hij wil. Het is niet goed om deze mensen te houden,' en dus stuurde hij hem in ballingschap naar Algerije. Hij stierf daar. ".

Met de neergang van het Ottomaanse Rijk kwam de achteruitgang van de Gouden Eeuw van de Valkerij in Turkije.  Deze daling zet zich nog steeds voort. De valkerij wordt echter nog steeds in enkele regio's van het land beoefend en het is van essentieel belang dat de oude tradities om met een getrainde roofvogel  te jagen worden gehandhaafd en voortgezet om ervoor te zorgen dat de toekomstige generaties in staat zijn om hun cultureel erfgoed te behouden.